Het maken van een wijnglas
Het maken van een wijnglas zorgde voor ‘verzet’ in de fabriek. In deze tijd werd daar voornamelijk persglas gemaakt. Dit was een heel ander type glas, met andere bewerkingstechnieken. De ontwerper ging bepalen wat er gemaakt moest worden, dat was nieuw.
De kelk wordt in een mal geblazen. Daarna wordt er glas opgeknipt om een beentje van te vormen met een benenschaar. Daarna wordt er nog een keer glas opgeknopt aan het eind van het beentje en dat wordt met een voetenhoutje gevormd tot een voet waar het glas op staat. Het glaszit dan nog vast aan de blaaspijp.
Je hebt een techniek waarbij het glas, nadat het van been en voet is voorzien, overgezet wordt op een pontil waarna het afgetikt, afgebroken wordt van de blaaspijp. Door het glas weer te verwarmen in een oven kan de peervormige kelk geopend worden tot de juiste glasvorm. Dat is een bewerkelijke techniek.
In de productie van de glazen van bijvoorbeeld Bazel (Servies F en Servies H) zijn de glazen na het afbreken van de pijp in de koeloven gezet. Na afkoeling is met een diamantpen op de juiste hoogte een kras gezet op de kelk, waarna die met een geconcentreerd, gericht gasvlammetje afgebroken kan worden. dan houd je scherpe rand over die later geslepen en gepolijst wordt.
Tekstje over dat men van stukprijs naar uurloon ging??
K. P. C. de Bazel, Wijnglas: servies F, 1921 - 1923
K. P. C. de Bazel, Portglas: servies H, 1918