info

terminologie


Potoven

Oudste oventype om glas te smelten; tot midden 19e eeuw werd alle glas in potten gesmolten, meestal in ovens met meerdere potten, gestookt met direkte vlam in het midden (pit) en de potten er omheen, met vaak door de rookgassen verwarmde droogruimten, calcineerruimte en koeloven gecombineerd; ook wel kwamen de rookgassen door de werkopeningen in het kegelvormige, als schoorsteen dienende gebouw; er werd met hout gestookt en na 1615 (engeland) met steenkool; na 1840 met generator-gas en in zweden met houtgas; daarna stookte men met olie, aardgas en ook met electriciteit; bekend is nog de direkt gestookte ‘Boetius-oven’ met potten rondom de pit; in 1928, bij het 50-jarig bestaan van Leerdam, nog een in gebruik, vervangen door de ‘Siemens-oven’, gestookt met het regeneratief systeem (voorverwarming gas en lucht via een wisselsysteem); vooral bij de nu in gebruik zijnde potovens wordt het rekuperatieve systeem toegepast (kontinue voorverwarming via een warmtewisselaar) en met de vlam van opzij over de pot strijkend.

bron Lexicon Sybren Valkema